Agentuurcontracten volgens Duits recht

Verschillen tussen Nederlands en Duits agentuurrecht

Het Nederlandse en het Duitse agentuurrecht zijn op dezelfde EG-Richtlijn (86/653, PbEG L 382/1, van 18 december 1986 inzake de coordinatie van de wetgevingen van de lidstaten betreffende zelfstandige handelsagenten) gebaseerd, zodat beide wettelijke regelingen erg op elkaar lijken. Toch bestaan er relevante verschillen in wettelijke regelingen en rechtspraak, die in praktijk grote financiele gevolgen kunnen hebben.


Toepasselijk recht, internationaal bevoegde rechter

Op agentuurovereenkomsten is het recht van het land van toepassing waar de handelsvertegenwoordiging is gevestigd (Art. 4 EVO, Art. 4 Rome I-VO).

In beide landen zijn echter regelingen over het toepasselijk recht mogelijk. Veelal zal een Duitse principaal als toepassselijk recht het Duitse recht overeenkomen omdat het Nederlandse recht hem onbekend is. Een duidelijke regeling over het toepasselijk recht (Rechtswahl) en de bevoegdheid van de rechter (Gerichtsstand) is aan te bevelen.


Bepalingen van dwingende aard

Het Duitse agentuurrecht is geregeld in §§ 84-92c Handelsgesetzbuch (HGB) en kent net zoals het Nederlandse recht (7.445 BW) bepalingen van dwingende en niet dwingende aard.


Provisie (Provision)

Volgens Duits recht kan de handelsagent, in tegenstelling tot het Nederlands recht, de provisie niet reeds opeisen wanneer de overeenkomst met de klant tot stand is gekomen, maar pas als de principaal de overeenkomst met de klant heeft uitgevoerd. Een afwijkende regeling in het voordeel of nadeel is mogelijk. Mochten partijen overeenkomen dat de handelsagent de provisie pas kan opeisen als de klant betaald heeft, heeft de handelsagent recht op een adequaat voorschot, dat de handelsagent nadat de principaal de overeenkomst met de klant heeft uitgevoerd op de laatste dag van de daaropvolgende maand kan opeisen.

Het Duitse recht kent de regeling van 7.432 BW niet, waarnaar, indien de rol van de handelsagent zich heeft beperkt tot het verlenen van bemiddeling van de overeenkomst, de order voor wat betreft het recht op provisie wordt geacht te zijn aanvaard, tenzij de pricipaal de handelsagent binnen redelijke termijn meedeelt dat hij de order weigert of een voorbehoud maakt.


Gebiedstoewijzing (Bezirkszuweisung)

Gezien Duitsland vele malen groter is dan Nederland, is het een Nederlands bedrijf aan te raden reeds voor het sluiten van een overeenkomst met een Duitse handelsagent erover na te denken, hoe de gebiedsindeling er op den duur zal uitzien. Elke eenzijdige verkleining van het gebied maakt namelijk een opzegging noodzakelijk, die tot gevolg heeft dat de handelsagent recht heeft op klantenvergoeding.


Opzegging (Kündigung)

De wettelijke termijnen van opzegging zijn volgens Duits recht (§ 89 HGB) korter dan volgens Nederlands recht (7.437 BW). Indien de agentuurovereenkomst is aangegaan voor een onbepaalde tijd, is ieder der partijen bevoegd haar te doen eindigen met inachtneming van een opzegtermijn volgens Duits recht in het eerste jaar van en maand, in het tweede jaar van twee maanden, in het derde tot en met het vijfde jaar van drie maanden en vanaf het zesde jaar van zes maanden. Deze opzeggingstermijnen kunnen partijen niet verkorten, maar wel verlengen. Opzegging kan alleen tegen het eind van een kalendermaand plaatsvinden, mits partijen niet anders zijn overeengekomen.

Volgens Nederlands recht leidt een opzegging zonder inachtneming van de overeengekomen of wettelijke opzeggingsregeling altijd tot bedindiging van de agentuurovereenkomst. Volgens Duits recht is dit alleen het geval als de voortijdige opzegging wegens dringende redenen gerechtvaardigd is. Mocht een van de partijen ongerechtvaardigd voortijdig opzeggen kan de andere partij nakoming vorderen of de agentuurovereenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen en schadevergoeding eisen.


Klantenvergoeding (Ausgleichsanspruch)

Bij het einde van een agentuurovereenkomst heeft de handelsagent ook in Duitsland recht op een goodwillvergoeding oftewel klantenvergoeding (Ausgleichsanspruch, § 89b HGB), voorzover hij nieuwe klanten heeft aangebracht of de zakenrelatie met klanten zodanig heeft uitgebreid dat er economisch gezien sprake is van nieuwe klanten en de zakenrelatie met dezen de principaal ook na het einde van de agentuurovereenkomst nog aanzienlijke voordelen oplevert, en de betaling van de klantenvergoeding billijk is, gelet op alle omstandigheden, in het bijzonder op de verloren provisie uit zaken met deze klanten.

De Duitse rechtspraak hanteert een andere formule dan in Nederland. Zij schat de voordelen van de principaal ruw weg op basis van volgende factoren: de bemiddelingsprovisie van de laatste 12 maanden, prognosetijd 4 jaar, klantenverlies 20% per jaar (met betrekking tot het afgelopen prognosejaar), rentevoordeel op grond van directe betaling van de klantenvergoeding.

Voorbeeld: laatste 12 maanden is de provisie 100 x 20%

eerste jaar                                 80,00 ./. 20% =

tweede jaar                               64,00 ./. 20% =

derde jaar                                  51,20 ./. 20% =

vierde jaar                                 40,96 ./. 20% =

˝Rohausgleich˝ 236,16 – 10% rentevoordeel =˝Abgezinster Rohausgleich˝ 212,54.

Indien de handelsagent het de laatste 12 maanden goed heeft gedaan, lijkt deze berekeningsmethode ˝Rohausgleich˝ hem een bijzonder voordeel te bieden, echter in Duitsland geldt: de klantenvergoeding is niet hoger dan de beloning van en jaar, berekend naar het gemiddelde van de laatste vijf jaren of, indien de overeenkomst korter heeft geduurd, naar het gemiddelde van de gehele duur daarvan. Dit maximum is gelijk aan de Nederlandse regeling. Mochten de resultaten van de handelsagent de laatste 12 maanden schlecht zijn geweest, heeft de principaal iets aan de Rohausgleichsmethode. Deze gaat namelijk uit van de resultaten van de laatste 12 maanden.

In beide landen geldt: Het recht op klantenvergoeding vervalt, indien de handelsagent de principaal niet uiterlijk een jaar na het einde van de overeenkomst heeft medegedeeld dat hij vergoeding verlangt (§ 89 b Abs. 4 Satz 2 HGB, 7:442 BW).


Concurrentiebeding (Wettbewerbsverbot)

Indien is overeengekomen dat de handelsagent beperkt is in zijn vrijheid om na het einde van de agentuurovereenkomst werkzaam te zijn is de principaal verplicht, de handelsagent een adequate vergoeding te betalen  (§ 90 a HGB). Dit geldt ook indien partijen geen vergoedingsregeling hebben getroffen. Het Nederlandse recht kent deze regel niet.


Verjaring (Verjährung)

De wettelijke verjaringstermijn is in Duitsland korter dan in Nederland (3.307 BW) en bedraagt maar drie jaren (§ 195 BGB). De termijn begint aan het eind van het jaar waarin de aanspraak is ontstaan. De verjaring kan in Duitsland niet door sommatie worden geschorst of gestuit zodat men op tijd moet gaan dagvaarden.

Philipp-Herlyn de Buhr, Nederlandstalige Duitse advocaat (Rechtsanwalt), Hamburg

contact: philipp.debuhr@harten-partner.de